Op zoek naar de feitelijke transformatie

Het is erg onrustig op het ogenblik in Jeugdzorgland. En natuurlijk gaat het over geld. De media staan er bol van. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten stuurt open brieven naar haar burgers en ethische dilemma’s lijken steeds openlijker te worden benoemd. Het is een typische reactie op een heel breed maatschappelijk probleem.

Vanmorgen nog in de Stentor (artikel De Stentor) zegt wethouder Cziesso “Als een kind een beetje wiebelig is, is er niet meteen een ADHD-onderzoek nodig.” Dat is in onze hypermoderne maakbare wereld een hele boude uitspraak!

Want wie bepaald wat wiebelig is en wat valt onder de DSM-5 kwalificatie ADHD, en belangrijker, wat zijn de problemen die kinderen ervaren die wiebelig zijn in een omgeving die wiebeligheid niet toestaat?

Ik was aanwezig bij het overleg tussen zorgaanbieders en gemeenten waar in het artikel aan wordt gerefereerd in de regio Midden IJssel-Oost Veluwe. De gemeenten hadden de vraag wat zorgaanbieders konden doen aan het terugdringen van de grote tekorten in de jeugdzorg, wat onze bijdrage zou kunnen zijn.

Er is zeker nog veel te verbeteren in gezamenlijke ontwikkeling. Door meer uitwisseling van best-practices en nog betere samenwerking kunnen we de toenemende professionele zorgvraag zeker efficiënter en kwalitatief beter het hoofd bieden. Ik vrees alleen dat het grote gat daarmee niet gedicht gaat worden.

Heel veel (ook zware) jeugdzorg is gewoon te voorkomen als we als samenleving beter in staat zijn om onszelf zo in te richten dat het niet tot problemen komt. Als je gewoon een beetje wiebelig ‘mag’ zijn.

Wethouder Berkhoff van Heerde gaf in een van de groepsgesprekken donderdag aan, net als ondergetekende, ‘vroeger ook zeker geen makkelijk jongetje te zijn geweest’. Ik kan niet voor de wethouder spreken, maar in mijn geval heeft het heel erg geholpen dat ik opgroeide in een omgeving die mij heeft geholpen en me niet als ‘probleem’ bestempelde. Het is geloof ik met hem en mij gewoon goed gekomen.

Laten we wel wezen, vroeger was het zeker niet beter! Een van de grote winsten van de decentralisatie is dat veel meer leed van jongeren wordt gezien en ook wordt aangepakt. Dat was ook de bedoeling. Dat is dus een succes! Nu wordt het alleen wel tijd dat we de beoogde transformatie ook echt gaan oppakken.

De idee was namelijk, in voorbereiding op de decentralisatie, dat gemeenten door nabijheid veel beter in staat zouden zijn om zorgtaken en zorgvragen terug te brengen naar de samenleving en zo de ‘dure’ professionele zorg te voorkomen. De burgers in die samenleving zouden het verschil moeten maken, ondersteunt door publieke voorzieningen zoals onderwijs en welzijn. Dat was de achterliggende gedachte van de korting in 2015.

En juist die maatschappelijke kentering blijft uit of gaat in ieder geval niet in het voorziene tempo, met als gevolg dat de vraag om professionele zorg stijgt.

Helaas ligt dat vraagstuk grotendeels buiten de invloedssfeer van zorgaanbieders.  Ook in Midden-IJssel/Oost-Veluwe werd en wordt gekeken naar zorgaanbieders om de zorg goedkoper te maken. Wethouder Cziesso geeft aan dat ‘tijdens het overleg bleek dat ook zorgbedrijven ervan doordrongen zijn dat er bespaard moet worden’. In het overleg van donderdag heette dat Normalisatie. Laten we de zorg weer normaal maken.

Dat besef is niet nieuw. Sinds 2015, eigenlijk sinds 2010 toen de eerste contouren van de decentralisatie duidelijk werden, zijn zorgbedrijven al doordrongen van het feit dat bespaard moet worden. Om te beginnen omdat de budgetten voor die zorgaanbieders al vanaf 1 januari  2015 met gemiddeld 25% zijn gekort, waarbij ook al een toename van zorgvraag werd verwacht bij de overdracht van de zorgtaken van de provincie naar de gemeenten.

De echte oplossing ligt niet bij de zorgaanbieders. De gemeente biedt zelf de jongeren aan en bepaald of er professionele zorg nodig is. Sommige gemeenten stellen zelfs in zorg name verplicht, ongeacht of aanbieders het zelf nodig vinden.

De beheersmatige maatregelen die worden genomen door gemeenten, door zorg uit te stellen of te beginnen met lichtere zorg hebben ook niet tot verlaging van de zorgkosten geleid. De effecten waren tegengesteld. Namelijk stijging van het aantal crisis situaties en wachtlijsten in de zwaardere ‘dure’ zorg.

Zeker, gemeenten hebben hun verantwoordelijkheid heus serieus opgepakt in 2015, er is veel meer zicht op de problemen. Maar alle inspanningen van vrijwilligersorganisaties en particuliere initiatieven ten spijt zijn we nog niet in staat om onze maatschappij te kantelen en weer meer medemenselijk te maken.

Vrijdag in Binnenlands Bestuur, in het artikel “Meer dan alleen extra geld nodig voor jeugdhulp” geeft Ans van de Maat (directeur van het Nederlands Jeugdzorginstituut, NJI) het goed weer als ze de vraag stelt: hoe willen we onze kinderen laten opgroeien?

 “It takes a village to raise a child”, het Afrikaanse adagio, dat veel bijval kreeg aan het begin van de decentralisatie is de laatste tijd weer wat verstomd. In onze complexe westerse maatschappij is dat een aanzienlijk grotere uitdaging dan in een Afrikaans dorp.

De belangrijkste succesfactor in de Afrikaanse cultuur is daarbij dat er ook een moreel appél wordt gedaan op iedereen in ‘het dorp’. Iedereen heeft een rol en taak en je wordt er op aangesproken als je je hieraan onttrekt. Als je je er als individu niet aan houdt is dat een bedreiging voor het hele dorp.

Onze grote uitdaging, de feitelijke transformatie, is deze moraal weer terug te brengen en passend te maken voor de complexiteit waarin wij hier leven. Het is terecht dat gemeenten de verantwoordelijkheid hiervoor in 2015 heel nadrukkelijk hebben genomen.

Terug naar de bijdrage die zorgorganisaties daaraan kunnen leveren.

Op de eerste plaats kunnen zorgorganisaties een rol spelen in het verkrijgen van inzicht in de oorzaken van de noodzaak om professionele zorg in te zetten. Door meer te analyseren wat er eigenlijk allemaal vooraf is gegaan aan het moment dat professionele zorg nodig was en, belangrijker, wat dit had kunnen voorkomen, krijgen gemeenten meer zicht op de maatschappelijke vraagstukken die zij moeten adresseren.

Maar daarnaast is zou het ook interessant zijn om eens te kijken wat de typische persoonlijke kenmerken zijn van een zorgprofessional. Ze hebben niet gewoon een baan in de zorg, ze zijn een voorbeeld voor hoe het echt zou moeten. Meer dan 3 kwart van de zorgprofessionals is naast hun betaalde werk heel actief in mantelzorg, welzijnszorg of vrijwilligerswerk. Zij zijn zorgprofessional geworden vanuit een innerlijke drang. Ze hebben in hun opleiding geleerd alert te zijn op hun omgeving en signalen op te vangen van mogelijke hulpvragen en passen dat in hun dagelijks leven ook gewoon toe. Zo beïnvloeden ze hun directe omgeving. Het belangrijkste deel van hun betaalde werk is overigens die vaardigheden ook bij anderen te brengen. Nu met name bij diegenen die nu professionele hulp nodig hebben, ze versterken de vaardigheden van mensen om zelf weer regie te krijgen op hun uitdagingen in het leven, waardoor ook zij anderen weer tot steun kunnen zijn.

Wanneer het debat waaraan Ans van de Maat refereert er over zou kunnen gaan hoe we deze vaardigheden en dit morele besef ook meer kunnen brengen bij het overgrote deel van de samenleving dat gelukkig nog geen professionele zorgvraag heeft. Dat zou een grote stap zijn in het verwezenlijken de feitelijke transformatie.

10 mei 2019, Ruud Piera, directeur Lijn5

Lijn5 is lid van de Vereniging van Orthopedagogische Behandel Centra (VOBC). Zij behandeld in Noord-Holland, Utrecht en Gelderland  jaarlijks ongeveer 2.000 kinderen en jongeren met een licht verstandelijke beperking en hun omgeving wanneer zij zelf de regie zijn kwijt geraakt op het omgaan met de uitdagingen die deze jongeren hebben in hun leven.